Scheiding kerk en staat vraagt dialoog
Wim Vandewiele | Het hoofddoekendebat, de aanstelling van bedienaars van de eredienst in het gevangeniswezen, de erkenning van de parochieassistenten en de imamopleiding. Het zijn maar enkele voorbeelden die met de scheiding van kerk en staat te maken hebben en die de publieke opinie de jongste jaren beroerden. Hoe valt die aanhoudende discussie over ‘de’ finale scheiding tussen kerk en staat te verklaren? Wellicht nog het best vanuit een maatschappelijk en institutioneel onvermogen om met de hedendaagse postseculiere samenleving om te gaan en met de levensbeschouwelijke actoren in het bijzonder.
Het levensbeschouwelijke landschap van onze hedendaagse Belgische samenleving kenmerkt zich zowel door een zeer hoge secularisatiegraad als door een toegenomen religieuze pluraliteit. De overgang tijdens de jongste zes decennia – onder invloed van migratiegolven – naar een religieus plurale samenleving vond plaats tegen de achtergrond van een katholiek monistische samenleving en ging gepaard met een bitsige tweestrijd tussen het katholicisme en het vrijzinnig humanisme. Tot op vandaag blijft die tweestrijd nazinderen in de hoofden van de babyboomgeneratie, maar ze miskent daarmee de realiteit van onze religieus plurale samenleving.
De Duitse socioloog en filosoof Jürgen Habermas stelde vorig jaar dat religie en levensbeschouwing in een postseculiere samenleving weliswaar door het secularisatieproces ‘functieverlies’ leden, maar dat dit niet rechtstreeks leidt tot ‘betekenisverlies’ in de publieke ruimte. De afgenomen invloed van de kerkelijke hiërarchie op de politieke besluitvorming is een voorbeeld van dat functieverlies. Daarentegen illustreert het beduidend hogere aantal aanwezigen tijdens de zondagsviering na de steekpartij op vrijdag in de crèche Fabeltjesland in Dendermonde dat de kerk niet per se aan betekenis inboet als zingevingsinstituut bij zo’n publiek drama.
In de logica van de hierboven geschetste tweestrijd kan een absolute scheiding tussen kerk en staat wel de publieke functie van een levensbeschouwing weren, maar nooit haar betekenisverlenende kracht. Met andere woorden: het model dat door onderhandeling in de jaren 1830 vorm kreeg op basis van het principe van scheiding tussen kerk en staat kunnen we misschien juridisch nog reanimeren. Maar sociaal gezien is het failliet. Zelfs met aanpassingen voldoet het in tijd en ruimte niet meer aan de hedendaagse sociale en levensbeschouwelijke actualiteit. Die laat immers zien dat religie en levensbeschouwing niet aan betekenis hebben ingeboet.
In plaats van het eenzijdig doordrukken van een finale scheiding tussen kerk en staat pleit ik ervoor dat de overheid rechtstreeks in dialoog treedt met de erkende levensbeschouwelijk actoren. Daartoe kan een Staten Generaal worden bijeengeroepen en die kan in een open debat de basis leggen van een vernieuwde verhouding tussen de levensbeschouwingen en de staat. Zo’n initiatief is veel beter in staat in te spelen op de actuele sociale en levensbeschouwelijke ontwikkelingen.
Wim Vandewiele is als (kerk-)socioloog verbonden aan de K.U.Leuven.